Onderwerpen

dinsdag 7 december 2010

Verplichte Eindtoets? Dan graag zó!


‘Aan het eind van de basisschool moet er een voor iedereen verplichte eindtoets komen, vergelijkbaar met de huidige Citotoets. ... Die toets moet leerlingen echt kwalificeren voor het voortgezet onderwijs.', zegt Van Bijsterveldt.

Hoewel het leerlingvolgsysteem, samen met het oordeel van de leerkracht en de wens van de ouders, toereikend is/zou moeten zijn, kan ik er mee leven

als die toets er maar niet van uitgaat
dat alle leerlingen een vastgesteld eindniveau moeten halen.
In de vorige bijdrage heb ik al betoogd dat het een illusie is te denken dat je alle leerlingen op een bepaald vastgesteld niveau kunt brengen. Daarvoor verschillen ze te veel. Sinds het bestaan van de school is het al zo dat er aan het eind van de rit grote verschillen blijken te bestaan in het vaardigheidsniveau van de leerlingen. En dat ondanks de goede zorgen van de school. Dat die verschillen er blijken te zijn, ligt dus ook niet aan de school, maar aan de kinderen: de een heeft meer in zijn mars dan de ander. Daarom gaat de een na de basisschool naar het Praktijkonderwijs en de ander naar het Gymnasium.
De school heeft wat dit betreft een heldere opdracht: haal eruit wat erin zit.
De toets moet dus twee dingen doen:
1) Vaststellen wat erin zit (wat zijn de mogelijkheden, wat is de aanleg?)
2) Vaststellen wat eruit komt (wat is het vaardigheidsniveau, wat kan de leerling?)
Op basis van deze twee metingen krijgt de school aanvullende informatie m.b.t. de vraag welke vorm van VO voor de leerling het beste is èn … de school kan -voor eigen gebruik- nagaan of zij geslaagd is in haar opdracht.
Bij twijfel kan nog een test worden afgenomen die iets duidelijk maakt over het zelfvertrouwen, de leermotivatie en het doorzettingsvermogen van de leerling.
Als alle leerlingen moeten meedoen, moeten ook alle leerlingen de gelegenheid hebben te laten zien wat ze kunnen. M.a.w. de opdrachten moeten niet alleen op het niveau van groep 8 liggen. In dat geval zouden de leerlingen met een niveau van bijvoorbeeld groep 6 (ruim 20%) alles fout maken. Dat is niet alleen frustrerend, maar je weet ook niet wat ze wèl kunnen.
De toets moet dus cumulatief van aard zijn: van gemakkelijk naar moeilijk.

woensdag 17 november 2010

Extra klas helpt niet



Bij de Drempeltest gebruiken we voor het formuleren van een advies VO een schema.



In dat schema zijn de leerlingen –aan het eind van groep 8- verdeeld over de vormen van VO. Om het schema (vergroot) te kunnen bekijken, klikt u op de afbeelding hierboven.
Zoals valt te zien gaat zo’n 5% naar het Praktijkonderwijs. Dat zijn leerlingen waarvan het vaardigheidsniveau aan het eind van groep 8 niet hoger is dan dat van de gemiddelde leerling aan het eind van groep 5.
Zo’n 15% van de leerlingen komt vervolgens in aanmerking voor LeerWegOndersteunend-Onderwijs. Deze leerlingen zijn in z’n algemeenheid niet verder gekomen dan het niveau van groep 6. De volgende twee groepen van 10% kwamen tot in groep 7 en de daarop volgende twee groepen van 10% kwamen tot in groep 8. De ‘HAVO-klanten’ haalden eind groep 8 en de rest iets meer.
Dit betekent dat het vaardigheidsniveau van zo'n 50% van de leerlingen niet volledig overeenkomt met wat is aangeboden. Dat kan kloppen, want we gaan uit van de gemiddelde leerling en bij een gemiddelde zit de helft eronder en de andere helft erboven. Echter, zeker 20% van de leerlingen beheerst nog niet tweederde van hetgeen is aangeboden. Plastischer gezegd: zeker 20% van de leerlingen is twee jaar ‘achter’.
Ik zet ‘achter’ tussen aanhalingstekens, want dat zijn ze niet! Ze presteren doorgaans in overeenstemming met hun mogelijkheden (aanleg). Kinderen verschillen en niet iedereen is even slim. Deze kinderen kunnen niet beter! En dat verschijnsel is er altijd al geweest.
Werkers in het onderwijs weten dat maar al te goed. Intensieve zorg en handelingsplannen brengen daarin doorgaans slechts marginale ‘verbeteringen’ aan. Ik zet verbeteringen tussen aanhalingstekens, want meestal blijken ze dat niet te zijn: na de vakantie zit de leerling weer op een vaardigheidsniveau dat bij hem past. Waarom dan toch dat ‘gedokter’ ?
Wel, inspectie, beleidsmakers, bestuurders, ouders en soms ook de leerkrachten zelf willen méér dan realistisch is. Met alle gevolgen van dien.
Uit de krant: ‘Het is de bedoeling dat kinderen straks een gegarandeerd minimumniveau hebben als ze naar het middelbaar onderwijs gaan’, zegt PVV'er Beertema. ‘Blijven ze daar volgens het landelijk stelsel onder, dan moet er wellicht een extra klas komen die de schakel is naar het VMBO.’ De kop boven het artikel was ‘Verplichte eindtoets basisonderwijs’.
Denkt u dat die ‘extra klas’ gaat helpen?

woensdag 8 september 2010

'Rekenschrik' nodig in VMBO/LWOO


Een kwart van de VMBO/LWOO-leerlingen in leerjaar 1 (gemiddelde leeftijd 13 jaar – april) blijkt een vaardigheids-niveau (m.b.t. hoofdrekenen/automatiseren) te hebben dat overeenkomt met dat van de basisschoolleerlingen in groep 5 (gemiddelde leeftijd 9 jaar – april).


Rob Wennink publiceerde het afgelopen jaar resultaten van zijn onderzoek in het kader van zijn studie ‘Master (SEN) dyscalculie’ onder de naam: ‘Rekenbeleid binnen het VMBO (College de Brink). Met als onderzoek: Referentiekaders binnen het VMBO’.

Bij dat onderzoek maakte hij naast de DLE-TEST Rekenen/Wiskunde ook gebruik van de Tempo Test Rekenen (T.T.R.).

Hij constateerde daarbij dat van de honderd onderzochte VMBO/LWOO-leerlingen (leerjaar 1) ruim 25% nog niet het rekenniveau van eindgroep 5 basisonderwijs bleek te hebben.

M.a.w. een kwart van de VMBO/LWOO-leerlingen in leerjaar 1 (gemiddelde leeftijd 13 jaar – april) blijkt een vaardigheidsniveau (m.b.t. hoofdrekenen/automatiseren) te hebben dat overeenkomt met dat van de leerlingen in groep 5 (gemiddelde leeftijd 9 jaar – april) van het basisonderwijs. Daar zit vier (leer)jaren tussen … (!).

Je zou zeggen dat dit soort feiten, die zich natuurlijk niet alleen op College de Brink voordoen, bij de leraren wiskunde tot de nodige actie leiden.
Uit het rapport ‘Basisvaardigheden rekenen in het voortgezet onderwijs’ van de onderwijsinspectie blijkt echter dat onbekendheid van de meeste leraren wiskunde met de specifieke rekenproblemen van hun nieuwe leerlingen een belemmering vormt voor het realiseren van een doorgaande lijn in de praktijk van het onderwijsleerproces. Tweederde van de leraren wiskunde beschikt namelijk niet over gegevens van de precieze rekenachterstanden van hun nieuwe leerlingen, terwijl deze informatie (voor zover het algemene rekenvaardigheden betreft) meestal wel door de basisschool is doorgegeven ... Wanneer de leraren wiskunde onvoldoende zicht hebben op de mate waarin en de wijze waarop hun nieuwe leerlingen rekenachterstanden hebben, zullen zij zich onvoldoende professioneel bewust zijn van de problemen waarmee de betreffende leerlingen met rekenachterstanden te maken hebben. Dat lijkt mij onwenselijk ...

Een simpele en doelmatige manier om hier iets aan te doen is de volgende: neem voor alle leerlingen in leerjaar 1 van het VO een kwartiertje (klassikaal) de tijd om de SchoolVaardigheidsToets Hoofdrekenen* af te nemen (afnametijd: 5 min.). Dat moet te doen zijn ... Uit de resultaten zal snel blijken hoe de vlag erbij hangt.

Wanneer dat tot dezelfde resultaten leidt als op College de Brink, hetgeen verwacht mag worden, zal de gewenste professionele bewustwording zeker tot stand komen.
Als je hier niet van schrikt …

*) Voor signalering is dit de opvolger/vervanger van de T.T.R.

vrijdag 7 mei 2010

Waarom van Tempo Test Rekenen naar TempoTest Automatiseren?


‘Wat is er mis met de oude, vertrouwde Tempo Test Rekenen? We werken er al jaren mee en zijn ècht heel tevreden ...’

Een vraag die sinds het verschijnen van de opvolger nogal eens wordt gesteld …

Hieronder geef ik daar een antwoord op.

Om te beginnen moeten we bij de TempoTest Automatiseren meteen de Schoolvaardigheidstoets Hoofdrekenen betrekken. Ze horen bij elkaar, zeker wanneer we een vergelijking willen maken met de T.T.R.
Wat bij de T.T.R. allemaal op een A4-tje is ‘gepropt’ (oneerbiedig gezegd), is bij de nieuwe set uiteengelegd in verschillende aspecten: niveau bepalen (leerlingvolgsysteem), signaleren en analyseren. Omdat we de testdruk willen verminderen, hoeven niet alle leerlingen alles te doen: wanneer de resultaten op de Schoolvaardigheidstoets Hoofdrekenen volgens verwachting zijn, hoeven ze de TTA niet meer te maken. De SVT heeft één rekenblad (A4) met sommen aan beide kanten, die door elkaar staan (eerst ‘plus’ en ‘min’ en later ook ‘keer’ en ‘deel’) die oplopen in moeilijkheid. Het blad zit slim in elkaar: aan de voorzijde staan minder sommen (ruim en overzichtelijk, veel minder ‘overweldigend/ontmoedigend’ dan bij de T.T.R.) en de leerling kan geen sommen tegenkomen die hij ‘nog niet heeft gehad’. De afname gaat in één beurt en duurt vijf minuten, hetgeen veel minder stress geeft dan bij de T.T.R. Daarmee is in principe voor de meeste leerlingen ‘de kous af’. U heeft gegevens (Percentielen, Cito I-V, A-E  en DLE’s), voor het leerlingvolgsysteem (Inspectie akkoord en Cotan OK!) en u ziet welke leerlingen niet volgens verwachting presteren (scoren te laag of maken te veel fouten). Hieronder ziet u een voorbeeld van de rapportage die u krijgt na het invoeren van de score.

(Klik op de afbeelding voor een vergroting)

De leerlingen waar u zorgen over heeft, komen in aanmerking voor de TTA. U heeft dan uitgebreide mogelijkheden om te onderzoeken waar de schoen wringt. U heeft aparte rekenbladen voor de vier bewerkingen, waarop de sommen ook ruim gerangschikt zijn en oplopen in moeilijkheid. De leerling mag twee minuten doen over een rekenblad van vijftig sommen, zodat ook hier meer gelegenheid is te laten zien wat de leerling wèl kan. Ook bij de TTA kunt u weer DLE- en Cito-scores vinden bij de aparte rekenbladen en bij het kleine totaal (t = ‘plus’ en ‘min’) en het grote Totaal (T = ‘plus’, ‘min’, ‘keer’ en ‘deel’). Afgezien van de veel kindvriendelijker presentatie en de slimmere volgorde van de sommen, lijkt de TTA wat dat betreft op de T.T.R.
De TTA gaat echter verder, want met het bijgeleverde computerprogramma kunt u niet alleen nagaan of er te veel (> 20%, het programma geeft een waarschuwing) fouten worden gemaakt, maar ook welke. Per somtype wordt namelijk in beeld gebracht waar de leerling moeite mee heeft. Dát is uw aangrijpingspunt voor eventuele remedial teaching. Hieronder ziet u een schermafdruk van het programma waarbij een overzicht wordt geboden van de niveaus bij de verschillende onderdelen. Zo zijn er ook overzichten van de foutensoorten.

(Klik op de afbeelding voor een vergroting)

Aan de psychometrische verschillen zullen we niet te veel aandacht besteden, maar die zijn er natuurlijk wel. De TTA heeft in totaal 11.534 leerlingen in de steekproef (de T.T.R. 4804). De TTA is genormeerd in heel Nederland en Vlaanderen (de T.T.R. in met name het noorden van het land). De normen van de TTA zijn recent (de T.T.R. is van 1992). De TTA heeft allerhande normen (de T.T.R. heeft alleen DLE’s). De TTA heeft standaard afnameformulieren (de T.T.R. is vaak een kopie van een kopie … ).

(Klik op de afbeelding voor een vergroting)
Kortom: de combinatie Schoolvaardigheidstoets Hoofdrekenen met de TempoTest Automatiseren is in vele opzichten een sterke verbetering t.o.v. de oude, vertrouwde Tempo Test Rekenen, waarvan de uitgever overigens onlangs heeft besloten te stoppen met de uitgave.

donderdag 18 maart 2010

RIO is handig!


Er starten steeds meer projecten in het land waarbij men wil nagaan of eruit gekomen is wat erin zit. Op basis van deze kennis wil men niet alleen de opbrengsten aan de inspectie rapporteren, maar meer nog het onderwijsaanbod optimaal afstemmen op de mogelijkheden van de leering.
Met behulp van RIO kan men snel en eenvoudig nagaan (en bijhouden) in hoeverre men daarin slaagt.
Om u te informeren,
plaats ik hierbij de complete toelichting bij de tool.


                                                                                                        (Klik op de afbeelding
 voor een vergroting)
Uitgangspunt
Als het over opbrengsten van het onderwijs gaat, vinden wij dat de school eruit moet
halen wat erin zit. De onderwijsinspectie vindt dat ook: ‘De opbrengsten liggen op het
niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden
verwacht.’
(Toezichtkader). Wij vinden dat we deze kenmerken het
beste kunnen bepalen op basis van de gemeten aanleg (intelligentie) van de leerlingen.
In dit hulpmiddel vergelijken wij voor het in beeld brengen van de opbrengsten dus de
aanleg/potentie van de leerlingen met hun resultaten. Eenvoudig gezegd: van een
leerling met de potentie A (de beste 25%) verwachten wij ook een niveau A.

Doel
Met dit hulpmiddel willen we op een eenvoudige, compacte en overzichtelijke wijze de
opbrengsten rapporteren aan de inspectie. We beperken ons dan ook uitsluitend tot
datgene wat de inspectie vraagt (Analyse en waarderingen van opbrengsten). Het rapport bevat daardoor uitgeprint hooguit twee A4-tjes.

Werkwijze
We maken gebruik van de gegevens uit uw leeringvolgsysteem. De scores moeten
uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V, dat is ook bij andere dan Citotoetsen
thans doorgaans het geval.
Daarnaast maken we gebruik van de gegevens van (klassikale) aanleg/intelligentietesten,
waarvan de scores eveneens uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V.
Sommige testen doen dat standaard. Wanneer de test een percentielscore geeft, kunt u
eenvoudig zelf het A/E of I/V niveau erbij zoeken*.

Berekening
Voor het berekenen van het opbrengstpercentage hanteren wij de uitgangspunten die
worden beschreven in de handleiding van de Drempeltest:

'Stel dat u rapporteert dat 68% van de leerlingen laat zien waartoe zij in staat is, dat 22% van de leerlingen zelfs iets méér laat zien dan u op basis van de gemeten aanleg zou verwachten en dat tot slot 10% van de leerlingen minder laat zien dan waartoe ze in staat is.
Wat is dan de conclusie?
Als het uitgangspunt is dat u eruit wilt halen wat erin zit, heeft u met 10% van de leerlingen een probleem. Dat 22% méér laat zien dan erin zit, zou de notie kunnen doen ontstaan dat hiermee die 10% ruimschoots gecompenseerd wordt …
Toch is het in onze ogen niet verstandig deze interpretatie te hanteren. Om het eenvoudig en overzichtelijk te houden, zou de school dicht bij haar uitgangspunt moeten blijven: eruit halen wat erin zit. Als dat (meer dan) slaagt, dan is het in orde. De aandacht dient echter te blijven uitgaan naar het percentage leerlingen bij wie dat niet lukt. Daar ligt immers nog een opdracht. Met andere woorden, de school zou moeten rapporteren in percentages ‘gerealiseerd’. Op basis daarvan zou je ‘vakken’, leerjaren of scholen ook kunnen vergelijken (eventueel aan de hand van een landelijke norm). Stel dat het percentage ‘gerealiseerd’ bij rekenen/wiskunde op uw school 72% is en bij taal/ lezen 88%. Dan zou de aandacht voor het verbeteringsbeleid moeten uitgaan naar rekenen/wiskunde.'

Omdat de hier genoemde Drempeltest ook een schooladvies voor het VO geeft, kunt u
zich afvragen of een eindtoets –naast de op bovenstaande wijze gewaardeerde gegevens
uit uw leerlingvolgsysteem- nog iets toevoegt …

Tot slot wordt de samenstelling van de leerlingenpopulatie nog vergeleken met de
landelijke verdeling. Zo kunt u zien of uw school meer of minder dan gemiddeld beschikt
over leerlingen met veel of minder aanleg.
Voor details:   RIO

*)
E = 0 t/m 10, D = 11 t/m 25, C = 26 t/m 50, B = 51 t/m 75 en A = 76 t/m 100.
V t/m I wordt verdeeld in vijf groepen van 20 (0 t/m 20, 21 t/m 40 enz.).

dinsdag 9 maart 2010

Waarom de Begin-, Vervolg-, Tussen- en Drempeltest?






Regelmatig krijg ik het verzoek:
'Leg nou nog eens uit waarom je zo hecht aan het afnemen van die Begintest en die Drempeltest enzo.
Waar is dat goed voor?'


In onderstaande bijdrage probeer ik dat nog eens kort-en-bondig samen te vatten.




Niet lang na het verschijnen van de DREMPELTEST voor groep 7 en 8, die de aanleg van de leerling uitdrukt in een perspectief voortgezet onderwijs (VO), werd al snel de opmerking gemaakt dat het jammer is dat deze informatie zo laat in de schoolloopbaan bekend is. Met name in die gevallen waarin er volgens de school minder uitgekomen is, dan er op basis van de DREMPELTEST in blijkt te zitten, hoorden we dikwijls de opmerking: ‘Dit hadden we eerder moeten weten, dan hadden we er de laatste jaren wellicht iets harder aan getrokken…’

De reden achter deze opmerking laat zich raden: de school wil eruit halen wat erin zit. En dat vindt de inspectie ook (!): ‘De opbrengsten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.’ (Toezichtkader, september 2009).

Met behulp van de DREMPELTEST en de gegevens van het leerlingvolgsysteem kan de school in groep 7/8 nagaan of dat voor de individuele leerling en voor de groep als geheel gelukt is. In feite meet en bewaakt de school hiermee haar eigen kwaliteit (opbrengst). Terecht werd echter opgemerkt dat dit meten alléén in groep 7/8 wel wat laat is ... De school komt daar immers voor voldongen feiten te staan; zij kan de opbrengst niet meer beïnvloeden. Daarom is besloten de TUSSENTEST voor groep 6 op de markt te brengen, die in feite hetzelfde doet als de DREMPELTEST, maar dan in een afgeslankte vorm.

Heeft de DREMPELTEST echter nog als hoofddoel het formuleren van een advies VO, de TUSSENTEST is hoofdzakelijk bedoeld om na te gaan ‘wat erin zit’ (en op basis daarvan tevens een indicatie te geven van het schooladvies). Met behulp van de gegevens van het leerlingvolgsysteem kan de school vervolgens nagaan of er voor de individuele leerling en voor de groep als geheel uit gehaald is wat erin zit. De testen drukken het niveau van de aanleg namelijk o.m. uit in A t/m E.

Met behulp van de tool ‘RIO’ (Eduforce) kan bovendien in beeld worden gebracht wat dit betekent voor de school als geheel en voor de verschillende vakken. Dat programma rapporteert over de opbrengsten uitsluitend wat de inspectie vraagt in de groepen 3, 4, 6 en 8 (Analyse en waarderingen van opbrengsten, oktober 2009). De opbrengst wordt uitgedrukt in een percentage, zodat valt na te gaan waar een opdracht voor onderzoek en eventuele verbetering ligt.

Niet alleen omdat de inspectie gegevens vraagt uit groep 3 en 4 kwam de vraag naar voren om nóg eerder in de schoolloopbaan informatie te kunnen verzamelen. Al snel was het idee van de BEGINTEST geboren. De vraag was echter voor welke groep(en) de test moest gelden? Groep 4 zou een logische stap zijn in de reeks, maar de suggestie om een test te maken voor groep 2 klonk echter vele malen luider. Groep 2, en dan met name de tweede helft van het leerjaar, is een geschikt moment: de leerlingen zijn groepsgewijs goed aanspreekbaar, er is voldoende ’opdrachtbesef’ aanwezig, de taal/lees- en rekenvoorwaarden zijn (grotendeels) aanwezig en het is een strategisch moment in verband met het aanstaande taal/lees- en rekenonderwijs (de overgang naar groep 3). Groep 6 is vervolgens weer een strategisch moment: de instrumentele vaardigheden worden (volledig) beheerst en ingezet op toepassingsniveau. Ondanks deze plausibele redenering werd het verzoek om ook een test voor groep 4 te ontwikkelen steeds vaker gehoord: in het kader van de opbrengstmeting kon groep 4 niet worden overgeslagen. De onderwijsinspectie vraagt gegevens uit die groep en het gat tussen groep 2 en groep 6 vonden de leerkrachten te groot. Hoewel intelligentie een vrij stabiele factor is, kan het inderdaad geen kwaad dat op deze jonge leeftijd om de twee jaar in beeld te brengen. Zo ontstond de VERVOLGTEST voor groep 4 (in ontwikkeling).

Daarom bestaat de reeks uit Begin-, Vervolg-, Tussen- en Drempeltest (Boom test uitgevers). De gemeten aanleg wordt uitgedrukt in een niveau dat te vergelijken is met de gegevens uit het leerlingvolgsysteem, zodat kan worden nagegaan of eruit gekomen is wat erin zit. Niet alleen de inspectie, maar ook de ouders willen dat graag weten … Voor de school is het een vanzelfsprekende opdracht.

vrijdag 5 februari 2010

Dat zou een geweldig feest zijn !?!


(Klik op de afbeelding voor een vergroting)

Helaas word ik nog regelmatig gebeld:

'Ons computerprogramma geeft een andere DLE
dan wijzelf hadden berekend ... !?!'


Dit komt bij zowel offline programa's als online programma's voor. De oorzaak ligt in het feit dat de makers van de programma's andere keuzes maken bij het toekennen van de DLE.
Ik propageer al sinds de laatst verschenen DLE-test (2003: DLE-test Begrijpend Lezen, versie B) hetgeen op bovenstaand kaartje staat. Ik stuur het u allemaal bij deze nog eens toe ... Wat zou het een feest zijn, als we het allemaal zó zouden doen!