Onderwerpen

donderdag 18 maart 2010

RIO is handig!


Er starten steeds meer projecten in het land waarbij men wil nagaan of eruit gekomen is wat erin zit. Op basis van deze kennis wil men niet alleen de opbrengsten aan de inspectie rapporteren, maar meer nog het onderwijsaanbod optimaal afstemmen op de mogelijkheden van de leering.
Met behulp van RIO kan men snel en eenvoudig nagaan (en bijhouden) in hoeverre men daarin slaagt.
Om u te informeren,
plaats ik hierbij de complete toelichting bij de tool.


                                                                                                        (Klik op de afbeelding
 voor een vergroting)
Uitgangspunt
Als het over opbrengsten van het onderwijs gaat, vinden wij dat de school eruit moet
halen wat erin zit. De onderwijsinspectie vindt dat ook: ‘De opbrengsten liggen op het
niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden
verwacht.’
(Toezichtkader). Wij vinden dat we deze kenmerken het
beste kunnen bepalen op basis van de gemeten aanleg (intelligentie) van de leerlingen.
In dit hulpmiddel vergelijken wij voor het in beeld brengen van de opbrengsten dus de
aanleg/potentie van de leerlingen met hun resultaten. Eenvoudig gezegd: van een
leerling met de potentie A (de beste 25%) verwachten wij ook een niveau A.

Doel
Met dit hulpmiddel willen we op een eenvoudige, compacte en overzichtelijke wijze de
opbrengsten rapporteren aan de inspectie. We beperken ons dan ook uitsluitend tot
datgene wat de inspectie vraagt (Analyse en waarderingen van opbrengsten). Het rapport bevat daardoor uitgeprint hooguit twee A4-tjes.

Werkwijze
We maken gebruik van de gegevens uit uw leeringvolgsysteem. De scores moeten
uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V, dat is ook bij andere dan Citotoetsen
thans doorgaans het geval.
Daarnaast maken we gebruik van de gegevens van (klassikale) aanleg/intelligentietesten,
waarvan de scores eveneens uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V.
Sommige testen doen dat standaard. Wanneer de test een percentielscore geeft, kunt u
eenvoudig zelf het A/E of I/V niveau erbij zoeken*.

Berekening
Voor het berekenen van het opbrengstpercentage hanteren wij de uitgangspunten die
worden beschreven in de handleiding van de Drempeltest:

'Stel dat u rapporteert dat 68% van de leerlingen laat zien waartoe zij in staat is, dat 22% van de leerlingen zelfs iets méér laat zien dan u op basis van de gemeten aanleg zou verwachten en dat tot slot 10% van de leerlingen minder laat zien dan waartoe ze in staat is.
Wat is dan de conclusie?
Als het uitgangspunt is dat u eruit wilt halen wat erin zit, heeft u met 10% van de leerlingen een probleem. Dat 22% méér laat zien dan erin zit, zou de notie kunnen doen ontstaan dat hiermee die 10% ruimschoots gecompenseerd wordt …
Toch is het in onze ogen niet verstandig deze interpretatie te hanteren. Om het eenvoudig en overzichtelijk te houden, zou de school dicht bij haar uitgangspunt moeten blijven: eruit halen wat erin zit. Als dat (meer dan) slaagt, dan is het in orde. De aandacht dient echter te blijven uitgaan naar het percentage leerlingen bij wie dat niet lukt. Daar ligt immers nog een opdracht. Met andere woorden, de school zou moeten rapporteren in percentages ‘gerealiseerd’. Op basis daarvan zou je ‘vakken’, leerjaren of scholen ook kunnen vergelijken (eventueel aan de hand van een landelijke norm). Stel dat het percentage ‘gerealiseerd’ bij rekenen/wiskunde op uw school 72% is en bij taal/ lezen 88%. Dan zou de aandacht voor het verbeteringsbeleid moeten uitgaan naar rekenen/wiskunde.'

Omdat de hier genoemde Drempeltest ook een schooladvies voor het VO geeft, kunt u
zich afvragen of een eindtoets –naast de op bovenstaande wijze gewaardeerde gegevens
uit uw leerlingvolgsysteem- nog iets toevoegt …

Tot slot wordt de samenstelling van de leerlingenpopulatie nog vergeleken met de
landelijke verdeling. Zo kunt u zien of uw school meer of minder dan gemiddeld beschikt
over leerlingen met veel of minder aanleg.
Voor details:   RIO

*)
E = 0 t/m 10, D = 11 t/m 25, C = 26 t/m 50, B = 51 t/m 75 en A = 76 t/m 100.
V t/m I wordt verdeeld in vijf groepen van 20 (0 t/m 20, 21 t/m 40 enz.).

dinsdag 9 maart 2010

Waarom de Begin-, Vervolg-, Tussen- en Drempeltest?






Regelmatig krijg ik het verzoek:
'Leg nou nog eens uit waarom je zo hecht aan het afnemen van die Begintest en die Drempeltest enzo.
Waar is dat goed voor?'


In onderstaande bijdrage probeer ik dat nog eens kort-en-bondig samen te vatten.




Niet lang na het verschijnen van de DREMPELTEST voor groep 7 en 8, die de aanleg van de leerling uitdrukt in een perspectief voortgezet onderwijs (VO), werd al snel de opmerking gemaakt dat het jammer is dat deze informatie zo laat in de schoolloopbaan bekend is. Met name in die gevallen waarin er volgens de school minder uitgekomen is, dan er op basis van de DREMPELTEST in blijkt te zitten, hoorden we dikwijls de opmerking: ‘Dit hadden we eerder moeten weten, dan hadden we er de laatste jaren wellicht iets harder aan getrokken…’

De reden achter deze opmerking laat zich raden: de school wil eruit halen wat erin zit. En dat vindt de inspectie ook (!): ‘De opbrengsten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.’ (Toezichtkader, september 2009).

Met behulp van de DREMPELTEST en de gegevens van het leerlingvolgsysteem kan de school in groep 7/8 nagaan of dat voor de individuele leerling en voor de groep als geheel gelukt is. In feite meet en bewaakt de school hiermee haar eigen kwaliteit (opbrengst). Terecht werd echter opgemerkt dat dit meten alléén in groep 7/8 wel wat laat is ... De school komt daar immers voor voldongen feiten te staan; zij kan de opbrengst niet meer beïnvloeden. Daarom is besloten de TUSSENTEST voor groep 6 op de markt te brengen, die in feite hetzelfde doet als de DREMPELTEST, maar dan in een afgeslankte vorm.

Heeft de DREMPELTEST echter nog als hoofddoel het formuleren van een advies VO, de TUSSENTEST is hoofdzakelijk bedoeld om na te gaan ‘wat erin zit’ (en op basis daarvan tevens een indicatie te geven van het schooladvies). Met behulp van de gegevens van het leerlingvolgsysteem kan de school vervolgens nagaan of er voor de individuele leerling en voor de groep als geheel uit gehaald is wat erin zit. De testen drukken het niveau van de aanleg namelijk o.m. uit in A t/m E.

Met behulp van de tool ‘RIO’ (Eduforce) kan bovendien in beeld worden gebracht wat dit betekent voor de school als geheel en voor de verschillende vakken. Dat programma rapporteert over de opbrengsten uitsluitend wat de inspectie vraagt in de groepen 3, 4, 6 en 8 (Analyse en waarderingen van opbrengsten, oktober 2009). De opbrengst wordt uitgedrukt in een percentage, zodat valt na te gaan waar een opdracht voor onderzoek en eventuele verbetering ligt.

Niet alleen omdat de inspectie gegevens vraagt uit groep 3 en 4 kwam de vraag naar voren om nóg eerder in de schoolloopbaan informatie te kunnen verzamelen. Al snel was het idee van de BEGINTEST geboren. De vraag was echter voor welke groep(en) de test moest gelden? Groep 4 zou een logische stap zijn in de reeks, maar de suggestie om een test te maken voor groep 2 klonk echter vele malen luider. Groep 2, en dan met name de tweede helft van het leerjaar, is een geschikt moment: de leerlingen zijn groepsgewijs goed aanspreekbaar, er is voldoende ’opdrachtbesef’ aanwezig, de taal/lees- en rekenvoorwaarden zijn (grotendeels) aanwezig en het is een strategisch moment in verband met het aanstaande taal/lees- en rekenonderwijs (de overgang naar groep 3). Groep 6 is vervolgens weer een strategisch moment: de instrumentele vaardigheden worden (volledig) beheerst en ingezet op toepassingsniveau. Ondanks deze plausibele redenering werd het verzoek om ook een test voor groep 4 te ontwikkelen steeds vaker gehoord: in het kader van de opbrengstmeting kon groep 4 niet worden overgeslagen. De onderwijsinspectie vraagt gegevens uit die groep en het gat tussen groep 2 en groep 6 vonden de leerkrachten te groot. Hoewel intelligentie een vrij stabiele factor is, kan het inderdaad geen kwaad dat op deze jonge leeftijd om de twee jaar in beeld te brengen. Zo ontstond de VERVOLGTEST voor groep 4 (in ontwikkeling).

Daarom bestaat de reeks uit Begin-, Vervolg-, Tussen- en Drempeltest (Boom test uitgevers). De gemeten aanleg wordt uitgedrukt in een niveau dat te vergelijken is met de gegevens uit het leerlingvolgsysteem, zodat kan worden nagegaan of eruit gekomen is wat erin zit. Niet alleen de inspectie, maar ook de ouders willen dat graag weten … Voor de school is het een vanzelfsprekende opdracht.