Onderwerpen

donderdag 26 mei 2011

Leerwinst en toegevoegde waarde bepalen.

Het ministerie wil eind 2013/begin 2014 een uitgewerkt voorstel hebben voor een faire, eenvoudige en goed hanteerbare werkwijze om de leerwinst van leerlingen en de toegevoegde waarde van de school in beeld te brengen.

Nou, succes! Zou ik zeggen.
Ik heb er een hard hoofd in. Dit is wel zo ontzettend moeilijk en complex. Er zijn zo veel (niet te beïnvloeden) factoren die hierbij een rol spelen. Dit is niet te doen!

Zeker niet als het ook nog eens een faire, eenvoudige en goed hanteerbare werkwijze’ moet worden. Het zou een prestatie van formaat zijn als het ons zou lukken. De pogingen die tot heden zijn ondernomen, ook die in het buitenland, hebben alle hun mankementen.

Stelt u zich eens voor: we hebben een school voor Praktijkonderwijs en een Gymnasium. We willen bepalen welke school beter is, waar is het beste onderwijs gegeven met de hoogste leerwinst en de meeste toegevoegde waarde? Hoe wil je deze beide scholen fair naast elkaar zetten? En moet bij die beoordeling ook de gepleegde inzet van de docenten een rol spelen?
Ik denk dat een leraar in het vmbo-basis meer ‘voor zijn kiezen krijgt’ dan een leraar aan het gymnasium. In het laatste geval lijkt het me een waar genoegen met zoveel getalenteerde, goed gemotiveerde en goeddeels probleemloze leerlingen. Moet je dat meewegen? Eigenlijk wel …
In het basisonderwijs kennen we ook, hoewel minder extreem dan in het voorbeeld hierboven, grote verschillen tussen scholen. In ons voorbeeld kun je nog besluiten de scholen per soort met elkaar te vergelijken, maar hoe doe je dat in het basisonderwijs? De werkwijze die daarvoor op dit moment wordt toegepast, loopt behoorlijk mank. Om dat op een 'faire' manier te doen, lijkt mij onmogelijk. En mochten we in de buurt komen van een oplossing, dan zal het zeker niet 'eenvoudig en goed hanteerbaar' zijn ...

Dus nogmaals, het lijkt mij ‘a hell of a job’!

Het zal onderhand bekend zijn dat ik zelf het meeste voel voor een sobere en pragmatische oplossing die inmiddels is gerealiseerd: RIO. We laten daarbij alle niet te controleren factoren buiten beschouwing en bepalen ons tot de vraag ‘komt eruit wat erin zit?'. Ook daarbij zullen ongetwijfeld nog verbeteringen mogelijk zijn, maar het hoeft niet meer uitgevonden te worden en het komt m.i. heel dicht in de buurt van een faire, eenvoudige en goed hanteerbare werkwijze’. In elk geval het onderzoeken waard zou ik zeggen …

maandag 23 mei 2011

Actieplan ‘Basis voor Presteren’ realistisch?


Het ministerie heeft een plan: ‘Basis voor presteren’. Het actieplan bevat een samenhangend pakket aan maatregelen om elk talent te benutten en te streven naar een ambitieuze leercultuur in het primair onderwijs.

Ik lees: ‘Ambities voor verbetering van leerprestaties gaan hand in hand met realistische, maar ambitieuze streefdoelen op stelselniveau. De functie hiervan is om in beeld te brengen of we op koers liggen en of bijsturing nodig is. Zonder ambities geen betere prestaties.’ 
Niks mis mee, zou ik zeggen.

Toch heb ik bij eerste lezing al een tweetal vragen.

Eindopbrengsten
Het gemiddelde prestatieniveau op de Cito-eindtoets is in 2015 gestegen van 535,4 in 2010 naar het niveau van score 537.
• De grensscore voor de beste 20% van de leerlingen ligt in 2010 tussen de 543 en 544. Deze grensscore moet in 2015 zijn gestegen naar het niveau van score 545.

Vraag 1
Er zal ongetwijfeld met het Cito zijn overlegd over deze ‘realistische’ ambitie, maar het doet mij sterk denken aan de uitspraak die een inspecteur zich eens liet ontvallen: ‘Als ik nou de volgende keer weer kom, dan moeten alle E-tjes veranderd zijn in D-tjes.’ Verderop in dit blog 'Leesproject mislukt' leg ik uit waarom dat volgens mij niet kan. Ik vraag me dus af hoe scholen dit moeten realiseren. Als we deze lijn doorzetten naar de toekomst, dan wordt het streven dus dat op termijn alle leerlingen uit groep 8 naar het gymnasium gaan … (!). En bovendien: geldt dit (deze getallen) straks nog? Er komt toch een geheel nieuwe, verplichte eindtoets, waar elke leerling op een voor hem passend niveau aan mee kan doen?

Werken met leerwinst
Om de inspanningen van scholen goed te kunnen waarderen, is het belangrijk dat scholen de leerwinst van individuele en groepen leerlingen beter in beeld brengen. Leerwinst bestaat uit de toename van vaardigheden of competenties van leerlingen, zoals die op en tussen verschillende meetmomenten wordt vastgesteld. Naast de leerwinst is de toegevoegde waarde van een school een belangrijke indicator van de opbrengsten van een school. Deze indicator geeft aan welke bijdrage de school als geheel levert aan de ontwikkeling van de leerlingen. Het belang daarvan neemt alleen maar toe met de invoering van passend onderwijs. Scholen moeten in het onderwijs nog beter aansluiten bij verschillen in capaciteiten tussen leerlingen. De ontwikkeling van een faire, eenvoudige en goed hanteerbare werkwijze om de leerwinst van leerlingen en de toegevoegde waarde van de school in beeld te brengen, kan scholen daarbij behulpzaam zijn. Daarom starten OCW en de onderwijsinspectie komend schooljaar (2011/2012) een serie pilots, waarin de verschillende aspecten en werkwijzen voor het bepalen van leerwinst van leerlingen en toegevoegde waarde van scholen worden beproefd. Dit vindt plaats in een samenwerkingsverband met scholen, wetenschap en experts. In deze pilots is het ontwikkelen en uitproberen van een begintoets een belangrijk onderdeel. Hierbij wordt onderzoek gedaan naar het meest geschikte moment voor afname van een begintoets, de inhoud van de toets, de toetsbaarheid van het jonge kind en de relatie tussen de begintoets en de voor- en vroegschoolse educatie. Naast gegevens over de beginsituatie van leerlingen wordt op de pilotscholen met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de centrale eindtoets informatie verzameld over de voortgang van de ontwikkeling van de leerlingen. Hierbij wordt bepaald hoeveel meetmomenten nodig zijn om de leerwinst en toegevoegde waarde goed te kunnen vaststellen. De inzichten en resultaten uit de pilots leiden eind 2013/begin 2014 tot een uitgewerkt voorstel voor vormgeving en invoering van een werkwijze om de toegevoegde waarde van scholen te bepalen en de functie daarbij van een begintoets, de tussentijdse lovs-toetsen en de centrale eindtoets. In dit voorstel komt ook aan de orde of en zo ja op welke onderdelen, aanvullende wet- en regelgeving noodzakelijk is.

Vraag 2
Hoe wil men ‘de inspanningen van de scholen’ op een ‘realistische’ manier waarderen? Men spreekt van ‘leerwinst’ en ‘toegevoegde waarde’. Kan het bijvoorbeeld voorkomen dat er bij een leerling sprake is van een zeer geringe leerwinst, maar van een grote toegevoegde waarde? In mijn ogen wel … Ik zie dan een leerling voor me met een (zeer) geringe aanleg/potentie, die zich méér vaardigheden en competenties heeft eigen gemaakt dan je op basis van die aanleg zou mogen verwachten. Prima werk dus van de school! En als die school nu eens heel veel van deze leerlingen heeft? Zal het nieuwe systeem de school dan een compliment geven ondanks de geringe leerwinst (een laag ‘gemiddeld prestatieniveau op de Cito-eindtoets’ om nog maar even aan te sluiten bij de ‘Eindopbrengsten’ van vraag 1)? Zou wel moeten. De school heeft per slot van rekening een grote toegevoegde waarde gerealiseerd. Ze hebben er zelfs méér uitgehaald dan erin zit. Ik ben er niet gerust op dat dit goed komt omdat ik in bovenstaande niets lees over het meten van de aanleg/potentie van de leerlingen …