Onderwerpen

dinsdag 13 december 2011

Rangorde ‘beste en slechtste school’ oneerlijk

Jonge ouders in Amsterdam krijgen van de gemeente een brochure toegestuurd, waarin zij kunnen zien wat de beste en slechtste basisscholen zijn.  
De brochure moet hen helpen bij de schoolkeuze, en de scholen zelf aanzetten tot kwaliteitsverbetering. 

In deze Kwaliteitswijzer Basisonderwijs staan alle 204 Amsterdamse basisscholen, met tal van gegevens. Zoals de leerlingenaantallen, het oordeel van de onderwijsinspectie, het aandeel van achterstandsgroepen, naar welk vervolgonderwijs kinderen gaan en hoe de leerlingen scoorden op hun eindtoets en andere tests voor rekenen en taal.

Let eens op de cursief gedrukte aspecten. Dat zijn stuk voor stuk zaken, waarop de school maar heel weinig invloed heeft: de intelligentie (de aanleg) van de leerlingen is hierbij namelijk van doorslaggevend belang. Leerlingen op een school voor Praktijkonderwijs blijken minder slim dan leerlingen op een Gymnasium. Een leerling met hoge scores blijkt slimmer dan een leerling met lage scores. Hoge uitzonderingen daargelaten.

Hoe blij moet je dan zijn met zo’n brochure? Kun je daaruit afleiden welke school het beste is voor jouw kind? Ik bedoel, kun je daarmee de school kiezen die het beste bij jouw kind past, waar het zich thuis voelt en waar ze eruit halen wat erin zit? En dan bedoel ik niet alleen rekenen en taal, maar ook zaken als muziek, (creatieve) handvaardigheid, verbale en sociale vaardigheden, zelfvertrouwen en dergelijke. Ik vrees van niet. Het lijkt me dat je uit de brochure alleen kunt aflezen op welke school de slimste kinderen zitten. En dat zegt niets over de kwaliteit van het onderwijs; aan die slimheid van de leerlingen kan de school namelijk niets doen. Je ziet dat bijvoorbeeld terug in het grillige verloop van het percentage leerlingen dat naar het havo/vwo gaat. Dat kan op een school over de laatste drie jaar zomaar 14, 42 en 28 procent zijn. Was het onderwijs in het tweede jaar ineens drie keer zo goed dan in het eerste? Nee, er zaten toevallig drie keer zoveel 'meer dan gemiddeld begaafde' leerlingen in die groep ...

Ook zaken als leerlingenaantallen en het aandeel van achterstandsgroepen heeft de school niet echt in de hand. En het oordeel van de onderwijsinspectie is weer grotendeels gebaseerd op de aspecten die ik cursief drukte. M.a.w. wat zegt dit nu over de kwaliteit van het onderwijs? Het enige wat je als ouder zou kunnen doen, is de school kiezen waar de slimste kinderen zitten. Het is echter zeer de vraag of dat voor jouw kind wel de beste plek is … Denk eens aan wat dat kan doen met het zelfvertrouwen van een iets minder slim kind.

Wat doet de ‘Kwaliteitswijzer’ dan wel? Het zet scholen op een oneerlijke manier in een rangorde van beste naar slechtste. Je zult maar werken aan een school met wat minder slimme leerlingen, die daardoor onderaan het lijstje staat, terwijl je toch je stinkende best doet om op een zeer kindvriendelijke manier alles uit de leerlingen te halen wat erin zit en ze bovendien een dosis zelfvertrouwen en vaardigheden meegeeft waarmee ze zich uitstekend staande kunnen houden in de maatschappij, zodat ze uiteindelijk op een plek komen waar ze zich thuis voelen. Dat voelt niet lekker, want wat is daar nou slecht aan?

dinsdag 6 december 2011

'Ik kap ermee', zei de meester

In de supermarkt kwam ik hem tegen. Ik vond hem opgewekter dan bij een eerdere ontmoeting. ‘Ik ben ermee gekapt.’
‘Maar zó oud ben je toch nog niet?’

‘Nee, maar ik red me wel, ik vind wel wat … Dit wilde ik niet meer.’


Ik ken hem al jaren. Hij was de meester die stiekem ‘Naar Zelfstandig Rekenen’ achterhield toen de inspectie zijn school dwong een realistische methode in te voeren (‘Wanneer ik de volgende keer weer kom, wil ik hier een realistische methode zien.’). Hij zag er voor de slimste kinderen nog wel wat in, maar voor het gros? Dat zette hij na de invoering van de nieuwe methode regelmatig met een gerust geweten aan het werk in NZR.  ‘Tijdverspilling en in-de-war-makerij’, waren zijn woorden. Sindsdien is het eigenlijk niet meer goed gekomen. Hij deed graag de dingen in interactie met de leerlingen: observeren en daar op inhaken met aanbod dat bij hen paste. Lezen, rekenen en taal (spellen) kregen ruime aandacht. Gewoon uit zijn hoofd (zo moeilijk was het allemaal niet). Muziek en andere ‘niet-leerdingen’ vulden vooral de middagen. Ze vonden het beide leuk: de meester en de leerling. En … ze staken er wat van op!

‘Er is niks meer van mezelf, de lol is er helemaal af. Ik heb het gevoel dat ik meer voor anderen bezig ben, dan voor de kinderen. ‘t Is één en al registratie, rapportage en verantwoording. Mijn vakmanschap wordt volledig miskent; alles is voor mij bedacht, ze vertrouwen me niks meer toe. En wat een kostbare tijd ben ik kwijt aan dat geleuter over die onzin! Nee, dit is niet meer het vak waar ik indertijd voor ging.’

Omdat ik van de testen ben, vroeg ik naar zijn ervaringen. ‘‘t Is prima dat ze er zijn, maar laat de toepassing ervan alsjeblieft aan ons over. Van het gros van mijn leerlingen wist ik precies hoe de vlag erbij hing. Alleen in een enkel geval was het handig eens een testje te doen om bepaalde twijfels weg te nemen. Nu moet alles en iedereen uitvoerig door de testmolen. Als dat nou nog voor jezelf was, zou het nog tot daaraantoe zijn. Maar nee, alles moet naar de inspectie. Ze willen weten of jij wel goed je best doet. Daar heb je het weer: geen donder vertrouwen! Dit heeft uiterst kwalijke gevolgen: het te geven onderwijs wordt bepaald door hetgeen er in de toets gevraagd wordt en het werkt oplichterij in de hand. “Willen ze hoge scores? Dan geven we ze die toch?” hoor ik mijn collega nog zeggen. Ik vond het ergste dat vakken als muziek compleet in de knel kwamen door het streven naar hoge scores.
‘t Is vreselijk. En wat zeggen die scores nou nog? Ook al zou je het eerlijk doen? Het zegt toch niks over jouw inzet als school? Alles hangt af van de mogelijkheden en omstandigheden van de kinderen waar je het mee moet doen. En weet wat het allerergste is? Dat je als ‘zwak’ bestempeld wordt, terwijl je je stinkende best doet het ‘de heren’ -ja, ja, ‘de heren’ en niet je kinderen, hè- naar de zin te maken. Ik werd er kotsmisselijk van.’

‘Jeetje, maar waarom pikken jullie dat dan allemaal? Waarom protesteren jullie niet? Waarom slaan jullie dan niet eens met de vuist op tafel?’

‘Wij hebben niks in te brengen. De dienst wordt uitgemaakt door mensen die niet voor de klas staan. Vrijheid van onderwijs, laat me niet lachen! Ik wil niet als een ouwe zak overkomen, maar vroeger deed ik mijn vak met stukken meer plezier.’

‘En hoe zit het met je nieuwe, jonge collega’s?’

‘Ja, dat zijn schatten, ‘t zijn allemaal vrouwen moet je weten. Ze zijn heel lief voor de kinderen en doen geweldig hun best. Zij hebben er misschien juist wèl baat bij dat alles is geprogrammeerd en dat alles wordt getoetst. Op de pabo hebben ze namelijk niks bijgeleerd. Ik zeg ‘bijgeleerd’, want toen ze daar kwamen, wisten ze ook al niks. … Nee, echte ‘sterren’ voor de klas, dat is een hoge uitzondering. Zonde! Hoe heeft het zover kunnen komen? Nou ja, ik doe niet meer mee ... Wel jammer voor mijn school, ik was de laatste meester.’