Onderwerpen

vrijdag 23 november 2012

Leerlingvolgsysteem: dat wordt een stuk makkelijker!


’t Is al een tijdje stil geweest rond het verplichte leerlingvolgsysteem en de centrale eindtoets. 
Je mag verwachten dat er tegen het eind van het cursusjaar duidelijkheid is. 
Hierbij alvast een voorschot …


Wat zegt de (nieuwe) wet?
‘De scholen gebruiken een leerling- en onderwijsvolgsysteem waaruit de vorderingen in de kennis en vaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school. Het leerling- en onderwijsvolgsysteem bevat toetsen die kennis en vaardigheden van de leerling meten ten minste op het terrein van de Nederlandse taal en rekenen-wiskunde.

De toetsen voldoen aan het kwaliteitsoordeel van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke commissie betreffende inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering.

Er wordt niet voorgeschreven met welk volgsysteem moet worden gewerkt, noch wordt de frequentie en de inhoud van de toetsing centraal voorgeschreven. Dit blijft behoren tot de inrichtingsvrijheid van scholen.
Gezien de functie van een leerling- en onderwijsvolgsysteem als diagnostisch hulpmiddel van de school om de onderwijspraktijk te verbeteren, laat de nu voorgestelde wettelijke verplichting veel inrichtingsvrijheid aan de scholen en hun besturen. Deze vrijheid heeft onder andere betrekking op de keuze voor een bepaald systeem, op de inrichting van dit systeem, op de momenten en wijze van toetsing van de leerlingen en op de keuze van welke tussentijdse toetsen worden gebruikt. Deze aspecten zijn én blijven voluit een zaak van de professionals in de school. Dit geldt ook voor de vrijheid van scholen om volgens de eigen pedagogisch-didactische en levensbeschouwelijk opvatting invulling te geven aan de wettelijke onderwijstaken.
Met dit wetsvoorstel regelt de regering dat scholen voor primair onderwijs gebruik maken van een leerling- en onderwijsvolgsysteem voor Nederlandse taal en rekenen-wiskunde. Scholen kiezen zelf welk leerling- en onderwijsvolgsysteem zij gebruiken en er komen geen centrale tussentijdse toetsen.

Aan het systeem wordt een aantal eisen gesteld, dat beperkt blijft tot de volgende basiselementen:
  • iedere school gebruikt een leerling- en onderwijsvolgsysteem voor het volgen van de ontwikkeling van alle leerlingen;

  • leerlingen worden regelmatig getoetst op ten minste de leergebieden Nederlandse taal en rekenen-wiskunde;
  • de toetsen zijn valide, betrouwbaar en methode-onafhankelijk genormeerd.

Door de eisen te beperken tot deze basiselementen wordt de vrijheid van inrichting gerespecteerd.’

Wat zegt de inspectie?
Het is niet uitgesloten dat de inspectie haar wensen op basis van de nieuwe wet aanpast, maar het zal zeker niet meer worden dan zij nu wenst:

‘De inspectie beoordeelt de resultaten tijdens de schoolperiode aan de hand van
toetsresultaten op de volgende toetsen:
  • Technisch Lezen (TL) in groep 3 en groep 4;
  • Rekenen en Wiskunde (RW) in groep 4 en groep 6;
  • Begrijpend Lezen (BL) in groep 6.

Deze toetsen representeren wezenlijke inhouden op cruciale momenten in de
basisschoolperiode:
  • In de groepen 3 en 4 dienen leerlingen op een zodanig niveau technisch te leren lezen dat zij met succes kunnen deelnemen aan alle overige onderdelen van het onderwijs.
  • In groep 4 staan de basisvaardigheden in het rekenonderwijs centraal.
  • In groep 6 wordt de overstap gemaakt naar complexere, wiskundige principes.
  • Verder moet in groep 6 het niveau van begrijpend lezen voldoende hoog zijn met het oog op het onderwijs in de zaakvakken. 

Uitgangspunt is dat de beoordeling is gebaseerd op de resultaten van alle leerlingen in hetzelfde leerjaar. Daarnaast moeten alle te waarderen toetsen in hetzelfde schooljaar zijn afgenomen.
Als de resultaten op meer dan de helft van deze toetsen voldoende zijn, is het
oordeel op de tussenresultaten positief.’ *

Wat is dus redelijk om te doen?
In de groepen 1 en 2 zou ik niet met genormeerde materialen willen werken, omdat het individueel of groepsgewijs normeren daarvan bij deze jonge kinderen veel problemen geeft. Het is moeilijk bij kinderen van deze leeftijd dezelfde afnamcondities te waarborgen. En wie laat je bijvoorbeeld bij een afname van het materiaal aan het eind van groep 1 (april) meedoen? Ook de kleuters die pas een maand of drie/vier op school zijn? En zo niet, waar leg je dàn de grens? M.a.w. zolang er bij het normeren -als je daarin al mocht slagen- en het afnemen wordt voorbijgegaan aan de kalenderleeftijd van de leerling, krijg je een vertekend beeld. Na groep 2 ontstaan er mogelijkheden omdat de leerlingen daar, hoewel ook sterk verschillend in leeftijd, wèl dezelfde onderwijstijd (vanaf begin groep 3) achter de rug hebben en redelijk groepgewijs te toetsen zijn.

Voor de groepen 1 en 2 zou ik daarom kiezen voor een observatie-instrument met criteriumvaardigheden: op de aangegeven leeftijden verwacht je dat de leerling de daarbij behorende ‘opdracht’ tot een goed einde kan brengen. Die te observeren vaardigheden zijn de voorwaarden op weg naar het met kans op succes leren lezen en rekenen. Een voorbeeld daarvan is LVS 1-2, met achter de hand OPFO voor de nadere diagnostiek, maar er zijn vele andere voorbeelden (soms door de school zelf samengesteld). Dit soort instrumenten, waarbij de nauwkeurig omschreven vaardigheden -meestal individueel- worden geobserveerd, kunnen vrij door de school worden gekozen, omdat zij niet hoeven te voldoen aan de in de wet omschreven voorwaarden van validiteit, betrouwbaarheid en methode-onafhankelijkheid. Het zijn immers (observatie)instrumenten in handen van vakkundige leerkrachten, die met kennis van zaken en rekening houdend met de geaardheid van de individuele leerling in interactie met die leerling proberen te achterhalen in hoeverre de vaardigheid wordt beheerst. Dat verdraagt zich niet met het hanteren van voor elke leerling gelijke en strikt omschreven afnameprocedures.

Gelet op de eisen van de inspectie zou toetsen volgens onderstaand schema voldoende zijn


(klik op de afbeelding voor een vergroting)

Let op: het gaat hier uitsluitend om het wettelijk verplicht rapporteren aan de inspectie van de stand van zaken m.b.t. bovenstaande inhouden. Het gaat daarbij om de niveaubepaling: hoe verhoudt het vaardigheidsniveau zich tot de landelijke norm? *

Voor het ‘voor-eigen-gebruik’ bewaken van het niveau is echter méér nodig, maar het afnemen van methode-onafhankelijke, landelijk genormeerde toetsen hoeft zeker niet vaker dan eens per jaar. Met de methode-gebonden toetsen houd de school de ontwikkeling immers al terdege in de gaten, zowel op individueel-, groeps- en schoolniveau. De op die wijze verzamelde gegevens zullen dan ook de voornaamste bron moeten zijn voor nadere analyse en eventuele hulpprogramma’s, remedial teaching of eigen leerlijnen. Met de jaarlijkse ‘groepsfoto’, gemaakt met de landelijk genormeerde toetsen, houdt u het vaardigheidsniveau van de school, de groep en de leerling voldoende in de gaten. Bovendien zult u zich vast niet beperken tot hetgeen in bovenstaand schema wordt gevraagd. U wilt ook weten hoe het met de spelling staat, met het hoofdrekenen (automatiseren) en met de sociaal-emotionele aspecten.
Wanneer u dat allemaal doet, krijgt u het nog druk genoeg! De vraag is nog, wannéér toetst u het vaardigheidsniveau? April/mei lijkt mij de beste periode.
Wat er vervolgens allemaal mogelijk is met de verzamelde gegevens, is o.m. aangegeven bij de beschrijving van het DLE-LVS in dit blog en vindt u onderhand ruimschoots terug in alle schooladministratieprogramma’s zoals ParnasSys, Esis, Dotcomschool (SchoolOAS) enz.


*) Zoals bekend ben ik er voorstander van het vaardigheidsniveau te vergelijken met de gemeten potentie/aanleg van de leerlingen om na te gaan of eruit gehaald is wat erin zit. Zie 'Zwakke School'