Onderwerpen

maandag 30 december 2013

Leerlingvolgsysteem, gaat het nu toch nog mis?


Met de (wets)voorstellen voor het leerlingvolgsysteem was ik niet ontevreden.

Toch lijken er op de valreep wat foute dingetjes in te sluipen … 



Het Toetsbesluit PO bevat de nadere regels met betrekking tot het leerlingvolgsysteem dat een school op basis van de wet Eindtoets verplicht is te gebruiken. 

Er kwam veel kritiek op de oorspronkelijke teksten, waarin veel gedetailleerde voorschriften stonden. Het wetsvoorstel werd daarop aangepast en de voorschriften verdwenen. 

Via het toetsbesluit, dat mede gebaseerd is op amendementen vanuit de Tweede Kamer, lijken deze voorschriften nu toch weer terug te komen. 

Een voorbeeld van zo’n kwalijke ‘terugkeer’ is de eis dat het leerlingvolgsysteem de leerwinst in kaart moet brengen. Dat lijkt me gewoon niet te kunnen! Eerder in dit blog wees ik daar al op: Leerwinst en toegevoegde waarde bepalen.
Bovendien loopt er op dit moment nog een pilot met betrekking tot de wenselijkheid en de (on)mogelijkheden van het hanteren van de begrippen leerwinst en toegevoegde waarde. De uitkomsten daarvan zijn er nog (lang) niet ...

Helemaal fout dus! En nu maar hopen dat dit tijdig wordt ingezien …

woensdag 20 november 2013

Duidelijkheid over toetsen bij kleuters

Op 5 november 2013 heeft de Tweede Kamer besloten dat de inspectie niet langer een onafhankelijke toets voor taal en rekenen* in de kleuter-groepen mag eisen via het toezichtkader. Hoe gaat de inspectie hier vanaf nu mee om in het toezicht? Een paar citaten:
Brede ontwikkeling
Ten eerste gaat het erom dat leerkrachten vanaf het begin van de schoolperiode de brede ontwikkeling van jonge kinderen volgen door middel van gestructureerde observaties. Met brede ontwikkeling bedoelen we zowel de cognitieve, sociale, emotionele als motorische ontwikkeling. De inspectie hanteert geen voorschriften over welke observatiemethode gehanteerd zou moeten worden. Wel dienen de observaties structureel (dat wil zeggen regelmatig bij alle kinderen) en gestandaardiseerd (alle kinderen met eenzelfde instrument) plaats te vinden.
Hier staat in mijn ogen geen woord verkeerd in!
Ontwikkeling taal en rekenen
Naast het observeren van de ontwikkeling van het jonge kind, kan een school een gevalideerd instrument afnemen dat gericht is op taal- en rekenontwikkeling. De school heeft daarmee een instrument om de ontwikkeling van ieder kind nader te diagnosticeren en te vergelijken met de ontwikkeling van andere kinderen in die leeftijd. Ook geeft een dergelijk instrument informatie over de voorbereiding op het aanvankelijk lezen en rekenen in groep 3.
Ook hier staat geen woord verkeerd in, zeker als we letten op het woordje 'kan'! Bovendien moeten we ‘gevalideerd’ opvatten als ‘... het controleren van een … methode. In feite wordt d.m.v. verificatie of kwalificatie aan de hand van een aantal vooraf opgestelde eisen aangetoond dat het  … instrument met een grote mate van zekerheid in staat is de bedoelde resultaten op te leveren.’ (Bron: Wikipedia)

Dat hoeft dus niet te betekenen dat het instrument scores oplevert in termen als 'voldoende/onvoldoende', waarover dan vervolgens gerapporteerd zou moeten worden in het kader van de ‘opbrengsten’, hetgeen in de groepen 1 en 2 -zoals bekend- een uiterst hachelijke zaak is. Het weergeven van de stand van de ontwikkeling is in dit stadium meer dan voldoende.

Wel mag natuurlijk -voornamelijk voor intern gebruik- gerapporteerd worden over die stand van zaken. 

*) De afwezigheid van zo’n instrument in de kleuterperiode zal niet langer leiden tot een onvoldoende bij het oordeel op de indicator 'De school gebruikt een samenhangend systeem van genormeerde instrumenten en procedures voor het volgen van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen'.

donderdag 3 oktober 2013

De voordelen van DLE's


Gisteren werd mij op de jubileumbijeenkomst van Boom test uitgevers gevraagd nog eens kort en helder de voordelen van DLE’s op papier te zetten, bij deze. 

Onderwijsgevenden ervaren in de praktijk*, t.o.v. het Cito LVS, o.m. de volgende voordelen:


Transparanter
DLE 25 is bij alle vaardigheden het niveau van medio groep 5 (bij Cito is een vaardigheidsscore van 50 op Begrijpend Lezen -ongeveer vergelijkbaar met DLE 53- niet hetzelfde als een vaardigheidsscore van 50 bij Rekenen/Wiskunde -ongeveer vergelijkbaar met DLE 16-),


Pedagogischer
Positiever/stimulerender naar leerlingen om ontwikkeling/vooruitgang zichtbaar te maken, je ‘ziet’ de vooruitgang (bij Cito blijkt 'eens een E-leerling [behorend tot de zwakste 10%], altijd een E-leerling'),


Duidelijker
Voorkomt problemen bij de rapportage van toetsresultaten (bij Cito LOVS -op basis van toetsen op maat- dachten ouders dat hun kind het met een B- of C-niveau goed deed, maar realiseerden zich niet dat deze resultaten verkregen waren middels toetsen die genormeerd waren voor een jaargroep jonger. Hadden ze een toets gehad die hoorde bij de groep waarin ze onderwijs volgden, dan zouden ze een D- of E-niveau behaald hebben),


Flexibeler
DLE-toetsen kunnen in nagenoeg elke onderwijsmaand worden afgenomen (bij Cito is de afname gebonden aan een bepaalde maand).

*) de SchoolVaardigheidsToetsen van Boom zijn ontworpen voor het gebruik van DLE's
    (hoewel ook de andere normschalen beschikbaar zijn).


zaterdag 14 september 2013

Top 10 scholen, gevolg van 'teaching to the test'?


Er is mij iets opgevallen
aan het lijstje van
de Top 10 scholen van RTL …





Hieronder druk ik dat lijstje af en ik vraag u goed te kijken 
naar de middelen die deze scholen gebruikten voor hun Eindtoets …

Het gaat om de volgende scholen:

·       De Twilling, Stiens (Openbaar): 10, Drempelonderzoek
·       Ds. Pieter van Dijkeschool, Bruinisse (Reformatorisch): 10, SEO
·       Basisschool Johannes Calvijn, Urk (Reformatorisch): 9,8, SEO
·       Koningin Emmaschool, Kampen (Protestants-Christelijk): 9,7, SEO
·       Gooilandschool, Bussum (Algemeen Bijzonder): 9,7, Cito
·       Ds. Jac. Koelmanschool, Hoogvliet Rotterdam (Reformatorisch): 9,6, Cito
·       Kathedrale Koorschool, Utrecht (Rooms-Katholiek): 9,6, Cito
·       Johan Frisoschool, Steenwijk (Protestants-Christelijk): 9,5, SEO
·       Eerste Openluchtschool-Voor-Het-Gezonde Kind, Amsterdam (Algemeen Bijzonder): 9,4, Cito
·       Basisschool Don Bosco, Dordrecht (Rooms-Katholiek): 9,4, Cito

  • Vindt u het ook vreemd dat slechts 50% van de Top 10 scholen aan de Eindtoets van het Cito meedeed, terwijl dat landelijk bijna 83% is?
  • Vindt u het u ook vreemd dat maar liefst 40% van de Top 10 scholen meedeed aan het SchoolEindOnderzoek (SEO) van Centraal Nederland, terwijl dat landelijk maar ruim 3% is?

Als u bedenkt dat van de gebruikte toetsen in het bovenstaande rijtje de Eindtoets van het Cito de enige is die elk jaar compleet nieuw is en dat de andere toetsen in het rijtje niet of slechts ‘regelmatig’ veranderen, komt u dan ook op bepaalde gedachten?

Er wordt namelijk wel eens gezegd dat er bij dit soort zaken sprake kan zijn van ‘teaching to the test’.

Als ik de Top 10 zo bekijk, kan ik niet zeggen dat daar absoluut géén sprake van kan zijn ...

Eindtoets-gegevens bekend. Nou en ?!?


Vandaag heeft RTL op haar website de gegevens bekend gemaakt van de Eindtoets. 
Ik heb ze bekeken, maar ik kan er niks mee.

In een toelichting op de door RTL aan de scholen gegeven cijfers blijkt dat er voornamelijk gebruik is gemaakt van de scores op de Eindtoets van het Cito. Daarnaast werd gebruik gemaakt van de scores bij het Drempelonderzoek, de gegevens uit het LVS en nog enkele andere middelen.
Door de grote verschillen in de aard en toepassing van die middelen wordt het vergelijken al lastig, maar er is nòg een element dat er voor zorgt dat het vergelijken van scholen op basis van de door RTL gegeven cijfers helemaal niet kan!

Gebaseerd op leerlingprestaties
De cijfers zijn namelijk alleen gebaseerd op de prestaties van de leerlingen (hoe goed hebben ze de toets gemaakt?)*. Stel dat school A een 8 krijgt van RTL en school B een 6. Is school A dan beter? Ik bedoel, wordt daar beter onderwijs gegeven? Daar kan ik op basis van deze cijfers helemaal niets over zeggen! Nou ja, ik kan zeggen dat er op school A slimmere kinderen zitten. Ze scoren namelijk op hetzelfde werk hoger dan de leerlingen op school B.

Eruit halen wat erin zit
Uitgaande van het feit dat kinderen nogal verschillen (de een is beter op zijn plek in het vmbo, de ander op het vwo), is mijn opvatting dat de school de opdracht heeft ‘eruit te halen wat erin zit’. Of dat meer of minder gelukt is, kun je aan de RTL-cijfers van school A en B niet aflezen. Daarvoor heb je namelijk nog een gegeven nodig en dat is de (leer)potentie van de leerlingen: hoe slim zijn ze, waar zijn ze toe in staat, wat mag je van de leerlingen verwachten op basis van hun aanleg/intelligentie? Als je dat weet, kun je iets zeggen over de prestaties van de leerlingen: is die in overeenstemming met hetgeen je van de leerlingen mag verwachten?

Op het verkeerde been
Deze cijfers zetten ouders dus op het verkeerde been. Stel dat van school B op basis  van de kenmerken van de leerlingen een 5.8 verwacht mag worden en van school A een 8.2. Wie heeft het dan beter gedaan? Ik zou zeggen school B (scoort 0.2 hoger dan verwacht mocht worden); school A scoort 0.2 lager dan verwacht mocht worden. School B heeft het dus prima gedaan, terwijl school A nog iets te verbeteren heeft. Toch krijgt school B een 6 en school A een 8. Dat geeft een verkeerde indruk als je denkt dat deze cijfers iets zeggen over de kwaliteit van het gegeven onderwijs.

*) In de toelichting wordt aangegeven dat de cijfers gecorrigeerd zijn voor aspecten als de sociale, economische en culturele achtergrond van de leerlingen. Daarbij worden allerhande ingewikkelde wegingen en berekeningen toegepast om de scholen met soortgenoten te kunnen vergelijken. In mijn ogen is dat een zinloze exercitie: 'de zoon van de huisarts hoeft niet noodzakelijkerwijs slimmer te zijn dan de dochter van de ongeschoolde bijstandsmoeder uit Somalië.' 
En bovendien, we hebben het bij deze cijfers alleen nog maar over rekenen en taal, terwijl de school veel méér doet. Het is een onverantwoorde vernauwing van de werkelijkheid.

woensdag 4 september 2013

Overleef de onderwijsinspectie!



Bij uitgeverij Boom verscheen zojuist een boek met bovenstaande titel van de auteurs Thijs Radersma en Henk van der Weijden.


Het is een informerend, relativerend, bemoedigend en bovenal handig boek.



Prof. dr. Luc Stevens slaat in het voorwoord de spijker op z'n kop: ‘Dit boek is een deskundig boek van insiders met een visie, een boek dat directeuren en leraren een hart onder de riem kan steken. Het ademt de sfeer van een beminnelijke gids die in vriendelijkheid en vertrouwen niets over het hoofd ziet.’

Zo besteedt het boek in Hoofdstuk 5 uitgebreid aandacht aan het fenomeen ‘Toetsen en testen in het basisonderwijs’. Samen met de andere plekken in het boek waar het onderwerp aandacht krijgt, bijvoorbeeld bij ‘Veelgestelde vragen’, worden er ruim veertig bladzijden (van de 232) ingeruimd voor alle informatie die men zich rond dit onderwerp voor kan stellen. De auteurs geven daarbij blijk van een grote kennis van zaken. Ook de antwoorden bij ‘Veelgestelde vragen’  zijn deskundig en … geruststellend.


Het zal u niet verbazen dat ik dit boek van harte aanbeveel! 

Een overzicht van de inhoud van het betreffende hoofdstuk:



zaterdag 29 juni 2013

Gelijke kansen voor alternatieve toetsaanbieders?


Aanbieders van alternatieve eindtoetsen in het primair onderwijs krijgen geen jaar extra tijd om een centrale eindtoets te ontwikkelen en de financiering van alternatieve eindtoetsen wordt niet binnen de wet geregeld. 
Dat is de uitkomst van de stemming waarin de Tweede Kamer de afgelopen week akkoord gaf op het wetsvoorstel Subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA). Via de wet SLOA krijgt Cito subsidie als dè ontwikkelaar van de centrale eindtoets in het primair onderwijs.

Gelijke kansen

Het debat over het wetsvoorstel ging vrijwel geheel over de positie van de aanbieders van alternatieve toetsen. Een deel van de Kamerleden was er niet gerust op dat deze aanbieders gelijke kansen zouden krijgen.
De twijfel zat met name in de financiering van de alternatieve aanbieders en de korte termijn waarop de eindtoets wordt ingevoerd. Kamerlid Roelof Bisschop wilde de financiering middels een amendement binnen de wet regelen en de aanbieders via een motie een jaar extra tijd geven.

Geen tijd of geld, wel onderzoek

Het genoemde amendement haalde het niet. Dat gold ook voor de motie die pleit voor extra tijd, hoewel daar vrijwel de hele oppositie (m.u.v. D66) vòòr stemde.
Bisschop behaalde toch nog een succesje: zijn 2e motie die de regering verzoekt te onderzoeken of en hoe de door Cito ontwikkelde toetsopgaven door andere toetsaanbieders gebruikt kunnen worden zonder dat de kosten daar een belemmering voor zijn, werd met steun van vrijwel de hele Tweede Kamer aangenomen.

Voorwaarden voor alternatieve toetsen
Staatssecretaris Sander Dekker gaf in het overleg aan vast te houden aan zijn planning (invoeren van de eindtoets in 2015) en was niet van plan de financiering van andere aanbieders op dezelfde manier te regelen als die voor Cito.
Wel benadrukte Dekker dat hij het wenselijk vindt dat er meerdere toetsaanbieders zijn en dat hij daar 'serieus werk' van wil maken. Zo wil hij aanbieders van alternatieve toetsen betrekken bij het opstellen van de Algemene maatregel van Bestuur (AMvB) waarin de voorwaarden voor alternatieve toetsen worden vastgelegd. De staatssecretaris wil de AMvB ook zo snel mogelijk behandelen. En hij toonde zich bereid om, mochten er 'alarmbellen' afgaan, 'opnieuw met goed verstand over dit onderwerp' te willen spreken.

donderdag 16 mei 2013

In groep 1 en 2 niet toetsen, maar observeren!


De bezwaren tegen het toetsen van kleuters (met genormeerde materialen) stapelen zich op. 
Bij mijn ‘oude’ IPMON was ik daar al tegen, bij het DLE-LVS ook, en nu nog steeds …


Waarom niet toetsen?
In de groepen 1 en 2 is het werken met genormeerde toetsmaterialen riskant, omdat het groepsgewijs normeren daarvan bij deze jonge kinderen veel problemen geeft.
Het is al moeilijk bij kinderen van deze leeftijd dezelfde afnamecondities te waarborgen, maar bovendien, wie laat je bijvoorbeeld bij een afname van het materiaal aan het eind van groep 1 meedoen? Ook de kleuters die pas een maand of drie/vier op school zijn? En zo niet, waar leg je dán de grens?
M.a.w. zolang er bij het normeren wordt voorbijgegaan aan de kalenderleeftijd van de leerling, krijg je een vertekend beeld. Er ontstaat dan namelijk een norm, die op het toetsmoment geldt voor alle deelnemende leerlingen, terwijl de een veel langer ‘onderwijs heeft genoten’ dan de ander (zie de vragen hierboven). Het ligt voor de hand dat, als de toets klaar is, bij de afname de jongere leerlingen lager zullen scoren dan de oudere … Dat kan tot kwalijke conclusies leiden: ‘Uw dochter heeft het niet zo goed gedaan, ze scoort ver onder het gemiddelde.’ Andersom kan ook voorkomen: ‘lovende kritieken’, omdat de leerling toevallig veel ouder is en meer ‘onderwijs heeft genoten’ dan de gemiddelde leerling. Dat zet niet alleen de school, maar zeker ook de ouders op het verkeerde been!

Na groep 2 ontstaan er meer mogelijkheden voor klassikale/groepsgewijze afname, omdat de leerlingen daar, hoewel ook sterk verschillend in leeftijd, wèl dezelfde onderwijstijd (vanaf begin groep 3) achter de rug hebben en redelijk groepgewijs te toetsen zijn.

Waarom wel observeren?
Voor de groepen 1 en 2 adviseer ik daarom observatie-instrumenten met criteriumvaardigheden: op de aangegeven leeftijd verwacht je dat de leerling de daarbij behorende ‘opdracht’ tot een goed einde weet te brengen*. Die te observeren vaardigheden betreffen dan naast die van de motoriek en de werkhouding in elk geval de cruciale voorwaarden op weg naar het met kans op succes leren lezen en rekenen. Ik maakte daarvoor zelf  LVS 1-2, met achter de hand het uitgebreider en gedetailleerder OPFO voor de nadere diagnostiek.


Registratiegedeelte op de voorzijde van het opdrachten- en observatieboekje van het 
Leerlingvolgsysteem voor de groepen 1 en 2.

Opdracht 8 uit het opdrachten- en observatieboekje van LVS 1-2.

(klik op de afbeeldingen voor een vergroting)

Er zijn echter vele andere voorbeelden (soms door de school zelf samengesteld). Dit soort instrumenten, waarbij de nauwkeurig omschreven vaardigheden -meestal individueel- worden geobserveerd, kunnen vrij door de school worden gekozen, omdat zij niet -zoals bij de genormeerde materialen- hoeven te voldoen aan de in de nieuwe wet omschreven voorwaarden van validiteit, betrouwbaarheid en methode-onafhankelijkheid. Het zijn immers (observatie)instrumenten in handen van vakkundige leerkrachten, die met kennis van zaken en rekening houdend met de geaardheid van de individuele leerling in interactie mèt die leerling proberen te achterhalen in hoeverre de vaardigheid wordt beheerst op de daarbij aangegeven leeftijd.
Overigens is de school onder de nieuwe wet sowieso vrij in het kiezen van haar middelen, zeker voor de groepen 1 en 2 (zie: Veranderingen rond het leerlingvolgsysteem)

*) Als het gaat om middelen waarmee men de aanleg/potentie van de leerling wil onderzoeken, liggen de zaken iets anders: bij die middelen wordt altijd rekening gehouden met de kalenderleeftijd en worden de testen doorgaans individueel afgenomen. Overigens is ook in dat geval een afname voor het eerst pas aan het eind van groep 2 aan te bevelen.